Gedragsdoel van de organisatie: betekenis en toepassing
Lees wat gedragsdoel van de organisatie betekent, hoe je het toepast en welke grenzen gelden. Met uitleg, een praktijkvoorbeeld en aandacht voor onderbouwing.

Een organisatie wil dat mensen "zich meer bewust worden" van iets, of dat er "meer draagvlak" komt voor een keuze. Dat klinkt als een doel, maar het zegt niet wat iemand morgen anders doet. Wie precies? Wat doen ze dan, en waar en wanneer? Zolang die vragen open blijven, kun je geen passende aanpak kiezen en niet vaststellen of die iets oplevert. Een gedragsdoel dwingt je die vragen te beantwoorden. Hier lees je waar het begrip vandaan komt, hoe het verschilt van communicatie- en attitudedoelen, hoe je het formuleert, prioriteert en meetbaar maakt, en welke grenzen gelden.
Een gedragsdoel van de organisatie is het concrete, observeerbare gedrag dat een organisatie bij een bepaalde doelgroep wil bereiken, zo geformuleerd dat duidelijk is wie wat doet, wanneer, waar en hoe vaak.
Het begrip sluit aan bij het specificeren van doelgedrag (target behaviour) in de gedragsveranderingsliteratuur. Een gedragsdoel verschilt van een communicatiedoel (wat mensen zien, weten of onthouden) en van een attitudedoel (wat mensen vinden of van plan zijn). Het is het doel van de organisatie: het zegt niet wat de doelgroep zelf wil of nodig heeft.
Waar komt het begrip gedragsdoel vandaan?
"Gedragsdoel van de organisatie" is geen vaste wetenschappelijke term met één bedenker, maar een Neurofactor-werkbegrip. Het bouwt voort op een gedachte uit meerdere onderzoekslijnen: wie gedrag wil beïnvloeden, beschrijft eerst precies om welk gedrag het gaat.
Behaviour Change Wheel en COM-B. Susan Michie, Maartje van Stralen en Robert West ontwikkelden de Behaviour Change Wheel op basis van negentien bestaande raamwerken voor gedragsinterventies (Michie, van Stralen & West, 2011). In het midden staat het COM-B-model: gedrag ontstaat in een systeem van capability (bekwaamheid), opportunity (gelegenheid) en motivation (motivatie). Daaromheen liggen interventiefuncties en beleidscategorieën. Het bijbehorende boek werkt dit uit tot een ontwerpmethode (Michie, Atkins & West, 2014). De eerste fase heet "begrijp het gedrag": omschrijf het probleem in gedragstermen, kies een doelgedrag, specificeer dat gedrag en bepaal wat er moet veranderen (Atkins & Michie, 2015). Bij het specificeren beantwoord je zes vragen: wie, wat, wanneer, waar, hoe vaak en met wie. Hoe je COM-B gebruikt om oorzaken van gedrag te analyseren, lees je in Gedragsdiagnostisch raamwerk: betekenis en toepassing.
Het TACT-principe. Icek Ajzen en Martin Fishbein lieten zien dat houding en gedrag vooral sterk samenhangen als je ze even specifiek meet (Ajzen & Fishbein, 1977). Dit compatibiliteitsprincipe gebruikt vier elementen: target (waarop of op wie het gedrag is gericht), action (de handeling), context en time. Een algemene houding voorspelt een enkele, specifieke handeling hooguit bescheiden (Ajzen, Fishbein, Lohmann & Albarracín, 2018). Presseau en collega's breidden TACT uit tot AACTT met de actor: wie het gedrag uitvoert (Presseau e.a., 2019).
Intervention Mapping. Deze planningsmethode uit de gezondheidsbevordering begon met een matrix van programmadoelen als eerste stap (Bartholomew, Parcel & Kok, 1998). In de huidige versie met zes stappen formuleer je gedragsuitkomsten en splits je die op in prestatiedoelen (performance objectives): wat moet iemand doen om het gedrag uit te voeren (Fernandez e.a., 2019).
De toevoeging "van de organisatie" houdt zichtbaar wiens doel het is. Dat is een redactionele keuze van Neurofactor, geen term uit deze bronnen.
Hoe ziet een goed gespecificeerd gedragsdoel eruit?
Een gedragsdoel is voldoende gespecificeerd als een buitenstaander kan vaststellen of het gedrag heeft plaatsgevonden. Vergelijk "bezoekers letten beter op hygiëne" met "bezoekers desinfecteren direct na binnenkomst via de hoofdingang hun handen bij de zuil, bij elk bezoek". Alleen het tweede kun je waarnemen.
Een werkbare formulering bevat:
- Wie (actor): de afgebakende groep die het gedrag uitvoert, bijvoorbeeld "bezoekers van patiënten" in plaats van "iedereen".
- Wat (actie): één concrete, waarneembare handeling.
- Wanneer (tijd): het moment of de gebeurtenis waarop het gedrag moet plaatsvinden.
- Waar (context): de fysieke of digitale plek.
- Hoe vaak: eenmalig, bij elke gelegenheid of met een bepaalde frequentie.
- Met of voor wie (target): alleen als dat voor het gedrag relevant is.
Hoe fijnmazig je specificeert, hangt af van wat meetbaar, bruikbaar en praktisch is voor je toepassing (Presseau e.a., 2019). Te grof maakt meten onmogelijk; te fijn maakt het doel onhanteerbaar.
Gedragsdoel, communicatiedoel en attitudedoel
Een communicatiedoel gaat over wat mensen zien, weten of onthouden. Een attitudedoel gaat over wat mensen vinden of van plan zijn, zoals een positievere houding of een sterkere intentie. Een gedragsdoel gaat over wat mensen feitelijk doen.
Die drie hangen samen, maar zijn niet uitwisselbaar. Dat laat onderzoek naar de kloof tussen intentie en gedrag (intention-behaviour gap) zien. Paschal Sheeran kwantificeerde die kloof met een meta-analyse van meta-analyses en besprak factoren die de samenhang beïnvloeden, waaronder gewoontes (Sheeran, 2002). Een meta-analyse van 47 experimentele toetsen vond dat een middelgrote tot grote verandering in intentie (d = 0,66) gemiddeld leidde tot een kleine tot middelgrote verandering in gedrag (d = 0,36) (Webb & Sheeran, 2006). Volgens een later overzicht ontstaat de kloof vooral bij mensen die wel van plan zijn te handelen maar het niet doen: ze vergeten het, missen de gelegenheid of vallen terug in gewoontes (Sheeran & Webb, 2016).
Daarom zijn bewustwording en draagvlak geen gedragsdoelen. Ze kunnen tussendoelen zijn als je analyse laat zien dat gebrek aan kennis of steun het gedrag in de weg staat; koppel ze dan aan dat gedrag.
Een gedragsdoel is ook iets anders dan de wensen en doelen van een doelgroep: die beschrijven wat mensen zelf willen bereiken. Ze kunnen overlappen, maar zijn niet gelijk.
Een KPI (kernprestatie-indicator) kan een gedragsdoel meetbaar maken, maar niet elke KPI meet gedrag; bereik is bijvoorbeeld een communicatie-indicator.
Gedragsdoel en verwante begrippen vergeleken
| Begrip | Kernvraag | Voorbeeld van meetwijze | Wat het niet zegt |
|---|---|---|---|
| Gedragsdoel van de organisatie | Wat moet wie, wanneer, waar en hoe vaak doen? | Observatie, registraties, gedragsdata | Waarom mensen het gedrag wel of niet vertonen |
| Communicatiedoel | Ziet, begrijpt of onthoudt de doelgroep de boodschap? | Bereikcijfers, herinnering, begripsvragen | Of mensen daarna anders handelen |
| Attitudedoel | Wat vindt of wil de doelgroep? | Vragenlijsten over houding en intentie | Of de houding tot gedrag leidt |
| Wensen en doelen van de doelgroep | Wat wil de doelgroep zelf bereiken? | Interviews, open vragen | Wat de organisatie van de doelgroep verwacht |
Zo formuleer, prioriteer en meet je een gedragsdoel
- Beschrijf het probleem in gedragstermen. Welk gedrag van welke groep draagt bij aan het probleem? Een uitkomst, zoals "minder infecties", is nog geen gedrag.
- Maak een lijst met mogelijke gedragingen, vaak van meerdere groepen.
- Prioriteer. Beoordeel elke kandidaat op verwachte impact, op hoe goed het gedrag te veranderen is en op mogelijke neveneffecten op ander gedrag (Atkins & Michie, 2015). Weeg daarnaast mee of je het gedrag betrouwbaar kunt meten.
- Specificeer het gekozen gedrag met wie, wat, wanneer, waar, hoe vaak en zo nodig met of voor wie.
- Maak het meetbaar. Leg vast hoe, bij wie en in welke periode je het gedrag registreert, en doe een nulmeting voordat je een streefwaarde kiest.
- Analyseer wat er moet veranderen. Onderzoek met de doelgroep welke bekwaamheid, gelegenheid of motivatie ontbreekt. Kies pas daarna een aanpak; zie ook Hoe vertaal je een doelgroepkaart naar een communicatiestrategie? en Hoe vertaal je doelgroepinzichten naar toetsbare boodschappen?
Fictief voorbeeld: handdesinfectie bij de ziekenhuisingang
Dit voorbeeld is fictief en bedoeld als illustratie.
Situatie. Een ziekenhuis wil dat bezoekers vaker hun handen desinfecteren bij de zuilen in de ingang. Het oorspronkelijke doel: "bezoekers bewuster maken van handhygiëne".
Keuzevraag. Welk gedrag wil het ziekenhuis precies bereiken, en hoe stel je vast of dat lukt?
Beschikbare informatie. Er hangt een poster en medewerkers denken dat "weinig bezoekers" de zuil gebruiken. Gegevens over het werkelijke gebruik ontbreken.
Passende aanpak. Het team herformuleert het doel: "Bezoekers van patiënten (wie) desinfecteren hun handen met handalcohol bij de zuil (wat) direct na binnenkomst via de hoofdingang (wanneer en waar), bij elk bezoek (hoe vaak)." Het team weegt ook desinfecteren bij de afdelingsdeur, maar kiest voorlopig de hoofdingang: daar komen de meeste bezoekers langs en is het gedrag goed te observeren. Het meet met vaste observatiemomenten op verschillende dagen en tijden en een vooraf vastgelegde definitie van "gedesinfecteerd". Een teller in de zuil registreert alleen hoe vaak er wordt gepompt, niet door wie, en telt dus hooguit als aanvullende indicatie. In korte gesprekken onderzoekt het team of bezoekers de zuil opmerken en of die goed bereikbaar is, ook vanuit een rolstoel.
Mogelijke interpretatie. De nulmeting geeft een vertrekpunt. Zien bezoekers de zuil vaak over het hoofd, dan ligt de oorzaak eerder bij gelegenheid dan bij kennis, en ligt een andere plek voor de zuil meer voor de hand dan een extra poster.
Vervolgstap. Een aanpassing kiezen en die in een afgebakende periode toetsen met dezelfde meetmethode. In dit voorbeeld zijn geen uitkomsten bekend.
Veelgemaakte fouten en interpretatiegrenzen
- Een uitkomst als gedrag formuleren. "Minder infecties" of "meer aanmeldingen" is een resultaat, geen handeling van een bepaalde groep.
- Te veel gedrag in één doel. Dan zie je niet meer welke handeling verandert.
- Eén oorzaak veronderstellen. Volgens COM-B ontstaat gedrag uit een samenspel van bekwaamheid, gelegenheid en motivatie. Een goed geformuleerd doel vertelt niet welke factor ontbreekt; dat vraagt analyse.
- Een scherp doel als garantie zien. Specificatie maakt meten en toetsen mogelijk, maar verandert zelf geen gedrag. Of een aanpak werkt, blijkt pas uit toetsing in de eigen context.
- Het organisatiedoel gelijkstellen aan het belang van de doelgroep. Wat de organisatie wil, is niet vanzelf wat de doelgroep wil of wat goed voor haar is. Maak die afweging expliciet.
- Ethiek overslaan. Gedragsdoelen gaan over het gedrag van andere mensen. Houd deelname vrijwillig, wees open over het doel en let op groepen die benadeeld kunnen worden. De Behaviour Change Wheel noemt onder meer aanvaardbaarheid, neveneffecten en gelijkheid als criteria bij het kiezen van interventies (Atkins & Michie, 2015). Nudging en reactance krijgen eigen artikelen.
Conclusie
Een gedragsdoel van de organisatie maakt concreet wat een organisatie wil dat een doelgroep doet: wie, wat, wanneer, waar en hoe vaak. Dat onderscheidt het van communicatie- en attitudedoelen, die over kennis en houding gaan; een gunstige intentie leidt niet vanzelf tot gedrag. Formuleer, prioriteer en meet het gedrag voordat je een aanpak kiest, en behandel het doel als startpunt voor analyse en toetsing. Het blijft het doel van de organisatie, niet automatisch het belang van de doelgroep.
Begrippen
- gedragsdoel van de organisatie
- Een gedragsdoel van de organisatie is het concrete, observeerbare gedrag dat een organisatie bij een bepaalde doelgroep wil bereiken, zo geformuleerd dat duidelijk is wie wat doet, wanneer, waar en hoe vaak.
Veelgestelde vragen
Wat betekent gedragsdoel van de organisatie?
Een gedragsdoel van de organisatie is het concrete, observeerbare gedrag dat een organisatie bij een bepaalde doelgroep wil bereiken. Je formuleert het zo dat duidelijk is wie wat doet, wanneer, waar en hoe vaak, zodat je kunt vaststellen of het gedrag plaatsvindt.
Hoe gebruik je gedragsdoel van de organisatie in doelgroep- of communicatieonderzoek?
Het gedragsdoel bepaalt welk gedrag je onderzoekt en meet. Daarna onderzoek je met de doelgroep wat dat gedrag belemmert of mogelijk maakt. Pas dan kies je boodschappen of maatregelen, die je toetst op het gespecificeerde gedrag.
Hoe onderbouw je uitspraken over gedragsdoel van de organisatie?
Leg vooraf vast hoe je het gedrag registreert, bij welke groep en in welke periode, en doe een nulmeting. Rapporteer veranderingen ten opzichte van die nulmeting en wees voorzichtig met oorzakelijke conclusies zolang een vergelijkingsgroep of vergelijkingsperiode ontbreekt.
Welke fouten maak je bij gedragsdoel van de organisatie?
Veelvoorkomend zijn: een uitkomst als gedragsdoel formuleren, te veel gedrag in één doel stoppen, aannemen dat een scherp geformuleerd doel het gedrag al verandert en het doel van de organisatie gelijkstellen aan het belang van de doelgroep.
Wat is een praktisch voorbeeld van gedragsdoel van de organisatie?
Een fictief voorbeeld: een ziekenhuis wil niet alleen "bewustwording over handhygiëne", maar dat bezoekers van patiënten bij elk bezoek direct na binnenkomst via de hoofdingang hun handen desinfecteren bij de zuil. Dat gedrag kan het ziekenhuis observeren en meten.
Waarom is draagvlak geen gedragsdoel?
Draagvlak beschrijft hoe mensen over een keuze denken, niet wat ze doen. Onderzoek naar de kloof tussen intentie en gedrag laat zien dat een positieve houding of voornemen niet vanzelf tot handelen leidt. Draagvlak kan wel een tussendoel zijn.
Bronnen
- 1.Michie, van Stralen & West (2011). The behaviour change wheel: A new method for characterising and designing behaviour change interventions. - Implementation Science, 6, 42 (2011)
- 2.Michie, Atkins & West (2014). The behaviour change wheel: A guide to designing interventions. - Silverback Publishing (boek) (2014)
- 3.Atkins & Michie (2015). Designing interventions to change eating behaviours. - Proceedings of the Nutrition Society, 74(2), 164–170 (2015)
- 4.Ajzen & Fishbein (1977). Attitude-behavior relations: A theoretical analysis and review of empirical research. - Psychological Bulletin, 84(5), 888–918 (1977)
- 5.Ajzen, Fishbein, Lohmann & Albarracín (2018). The influence of attitudes on behavior. - In D. Albarracín & B. T. Johnson (Eds.), The handbook of attitudes, Volume 1: Basic principles (2nd ed.). Routledge (2018)
- 6.Presseau e.a. (2019). Action, actor, context, target, time (AACTT): A framework for specifying behaviour. - Implementation Science, 14, 102 (2019)
- 7.Bartholomew, Parcel & Kok (1998). Intervention mapping: A process for developing theory and evidence-based health education programs. - Health Education & Behavior, 25(5), 545–563 (1998)
- 8.Fernandez e.a. (2019). Intervention Mapping: Theory- and evidence-based health promotion program planning: Perspective and examples. - Frontiers in Public Health, 7, 209 (2019)
- 9.Sheeran (2002). Intention–behavior relations: A conceptual and empirical review. - European Review of Social Psychology, 12(1), 1–36 (2002)
- 10.Webb & Sheeran (2006). Does changing behavioral intentions engender behavior change? A meta-analysis of the experimental evidence. - Psychological Bulletin, 132(2), 249–268 (2006)
- 11.Sheeran & Webb (2016). The intention–behavior gap. - Social and Personality Psychology Compass, 10(9), 503–518 (2016)
Verwante onderwerpen
Gecontroleerd door: Martijn den Otter · Laatst gecontroleerd: 30-9-2026
Martijn den Otter
Oprichter van Neurofactor. Expert in neuromarketing en consumentenpsychologie.
LinkedIn →