Neurofactor
Terug naar de kennisbank
Overtuiging en weerstand

Hoe beschrijf je andere methoden die niet werkten?

Onderzoek wat je doelgroep eerder probeerde en waarom het resultaat tekortschiet. Met invulmodel, praktijkvoorbeeld en wetenschappelijke bronnen.

Martijn den Otter 8 min leestijd23-9-2026
Hoe beschrijf je andere methoden die niet werkten?

“Dat hebben we al geprobeerd.” Met die uitspraak begint een belangrijk deel van doelgroeponderzoek. Wat werd er geprobeerd, met welk doel en onder welke omstandigheden? En betekent niet gewerkt dat het resultaat uitbleef, dat de inzet te groot was of dat de aanpak nooit volledig in gebruik kwam? Het veld Andere methoden die niet werkten brengt eerdere pogingen in kaart die voor de huidige keuze relevant zijn. Zo kun je begrijpen welke ervaring iemand meeneemt en wat bij een volgende aanpak onderzocht moet worden. Een eerdere teleurstelling wordt daarmee geen automatisch bewijs dat een methode in het algemeen ongeschikt is.

Introductie

“Dat hebben we al geprobeerd.” Met die uitspraak begint een belangrijk deel van doelgroeponderzoek. Wat werd er geprobeerd, met welk doel en onder welke omstandigheden? En betekent niet gewerkt dat het resultaat uitbleef, dat de inzet te groot was of dat de aanpak nooit volledig in gebruik kwam?

Het veld Andere methoden die niet werkten brengt eerdere pogingen in kaart die voor de huidige keuze relevant zijn. Zo kun je begrijpen welke ervaring iemand meeneemt en wat bij een volgende aanpak onderzocht moet worden. Een eerdere teleurstelling wordt daarmee geen automatisch bewijs dat een methode in het algemeen ongeschikt is.

Wat zijn andere methoden die niet werkten in een doelgroepkaart?

Het veld Andere methoden die niet werkten beschrijft in de doelgroepkaart welke eerdere aanpakken de doelgroep daadwerkelijk heeft geprobeerd en op welk relevant punt die volgens de beschikbare informatie onvoldoende aan het beoogde resultaat voldeden. Dit is Neurofactors praktische werkdefinitie voor het kaartveld.

Een bruikbare invulling bevat de poging, het doel en de ervaren of vastgestelde tekortkoming. Voeg de oorzaak alleen toe met een passende bronstatus. “Heeft een gedeelde scorelijst gebruikt, maar bleef volgens eigen zeggen leveranciersafwegingen reconstrueren” is preciezer dan “Spreadsheets werken niet”.

Het label omvat ook gedeeltelijk werkende, afgebroken of te belastende pogingen, zolang je die uitkomst expliciet benoemt. Het gaat om relevante ervaring van de onderzochte doelgroep; niet om een algemene lijst met zwakke concurrerende oplossingen.

Hoe verschilt dit veld van alternatieven, aannames en bezwaren?

KaartveldWat leg je vast?Fictieve illustratie
Andere methoden die niet werktenEerder geprobeerd, met een concreet tekortschietend resultaatDe scorelijst werd gebruikt, maar de redenen achter scores bleven onduidelijk
Kostbare alternatievenAndere opties en hun relevante kosten of inzetEen extra beoordelaar inhuren; hoeft nog niet geprobeerd te zijn
Foute aannamesEen aanname waarvan de onjuistheid onderbouwd moet wordenDe uitspraak dat iedere scorelijst vanzelf uitlegbaar is, vraagt toetsing
BezwarenWat een huidige beslisstap belemmertWil niet opnieuw een systeem zonder heldere onderbouwing invoeren
Oorzaak van het belangrijkste pijnpuntHet mechanisme achter het huidige hoofdprobleemMogelijk ontbreekt een gedeelde beoordelingswijze; nog te onderzoeken
Bezwaren weerleggenEen passende reactie van de aanbiederLaten zien hoe argumenten en rollen in een voorstel worden vastgelegd

Een niet-gekozen optie is geen mislukte poging. Een uitleg van een deelnemer is ook niet vanzelf een bewezen oorzaak of een foute aanname. Hetzelfde onderwerp kan in meerdere velden terugkomen, maar elk veld beantwoordt een andere vraag.

Welke wetenschappelijke inzichten helpen hierbij?

Het kaartlabel is een praktische indeling. Voor de onderbouwing gebruiken we oorspronkelijke publicaties over oorzakelijke verklaringen en de uitvoering van interventies; ze valideren deze doelgroepkaart niet.

Weiner beschrijft hoe mensen succes en falen verklaren via waargenomen oorzaken, met onder meer stabiliteit en beïnvloedbaarheid als dimensies. Zijn theorie gaat over toegeschreven oorzaken. Weiner (1985)

Carroll en collega’s bieden een kader voor implementation fidelity: in hoeverre een interventie wordt uitgevoerd zoals bedoeld. Het kader helpt uitvoering mee te nemen bij de beoordeling van uitkomsten. Carroll et al. (2007)

Onze praktische vertaling is om de poging, feitelijke uitvoering, uitkomst en gegeven verklaring apart vast te leggen. De onderstaande vragen en statussen zijn eigen onderzoeksadvies. Ze bewijzen niet dat slechte uitvoering altijd de oorzaak is; een aanpak kan ook werkelijk niet passen bij het doel of de context.

Wat kan niet gewerkt precies betekenen?

Gebruik onderstaande mogelijkheden als onderzoeksvragen, niet als vooraf vaststaande verklaring.

Mogelijke uitkomstWat moet duidelijk worden?Zorgvuldige formulering
Beoogd resultaat niet bereiktWelk resultaat, over welke periode en volgens welke maatstaf?Het afgesproken doel werd in deze periode niet gehaald
Gedeeltelijk resultaatWat verbeterde wel en wat bleef open?Meer overzicht, maar nog geen uitlegbare afweging
Te grote belastingWelke inspanning woog voor wie niet op tegen de opbrengst?Gestopt vanwege de ervaren onderhoudslast
Voortijdig afgebrokenHoeveel is daadwerkelijk uitgevoerd en waarom stopte het?Gebruik afgebroken; het volledige beoogde effect is niet beoordeeld
Verkeerde aansluitingWelk doel of welke randvoorwaarde paste niet?De aanpak sloot niet aan op de taakverdeling in deze situatie
Geen betrouwbare beoordelingZijn doel, gebruik of uitkomst onbekend?Onvoldoende gegevens om het resultaat te beoordelen

Noteer naast het oordeel of er meetgegevens, documenten of alleen een herinnering beschikbaar zijn. “Geen aantoonbaar resultaat” kan betekenen dat niet is gemeten; het is geen synoniem voor aangetoond geen effect.

Hoe onderzoek je eerdere pogingen?

  1. Vraag open naar de geschiedenis. “Wat hebben jullie tot nu toe gedaan om dit op te lossen?” Laat ook pogingen met een positief of gemengd resultaat aan bod komen.
  2. Maak één poging concreet. Leg doel, periode, betrokkenen, versie of werkwijze en aanleiding vast. “Een training” zegt nog weinig over wat er werkelijk gebeurde.
  3. Reconstructeer de uitvoering. Vraag welke onderdelen zijn gebruikt, hoe vaak, door wie en met welke ondersteuning. Neem niet aan dat aanschaf gelijkstaat aan gebruik.
  4. Onderzoek de beoordeling. Wat gold vooraf als een goed resultaat? Wat werd achteraf ervaren of gemeten? Is de maatstaf tussentijds veranderd?
  5. Vraag naar de verklaring en de grond daarvoor. Noteer wie een oorzaak noemt, waarop die verklaring rust en wat nog onbekend is. Zoek waar mogelijk aanvullende informatie.
  6. Verbind de ervaring aan de huidige keuze. Vraag wat iemand wil behouden, vermijden of anders wil onderzoeken. Controleer of de ervaring de huidige beslissing daadwerkelijk beïnvloedt.

Laat de deelnemer je samenvatting corrigeren. Als verschillende betrokkenen uiteenlopende ervaringen hebben, leg die naast elkaar. De versie van de beslisser hoeft niet gelijk te zijn aan die van de dagelijkse gebruiker.

Hoe scheid je ervaring, verklaring en vastgestelde oorzaak?

Soort informatieWat kun je vastleggen?Wat volgt er niet automatisch uit?
ErvaringsverslagDe deelnemer zegt dat de aanpak weinig opleverdeDat de methode objectief geen effect had
Document of gebruiksregistratieEen bepaalde activiteit, periode of uitkomst is vastgelegdDat alle relevante omstandigheden bekend zijn
Verklaring van betrokkeneDe deelnemer schrijft het resultaat toe aan ontbrekende afsprakenDat dit de doorslaggevende oorzaak was
Onderbouwde oorzaakanalyseEen verklaring is binnen de onderzochte context ondersteundDat zij voor ieder gebruik van die methode geldt
Verondersteld segmentpatroonMeerdere onderzochte gevallen lijken op elkaarDat het patroon representatief is zonder passende steekproef

Schrijf bijvoorbeeld “Volgens de geïnterviewde ontbrak tijd voor onderhoud” wanneer dat de beschikbare bron is. Verander dit niet in “De methode faalde door tijdgebrek” zonder nadere onderbouwing. Een dossiercontrole kan een deel van het verhaal bevestigen terwijl andere onderdelen onzeker blijven.

Voorbeeld: een scorelijst die onvoldoende houvast gaf

Volledig fictief voorbeeld; geen klantcitaat of onderzoeksresultaat. Een team gebruikte een gedeelde scorelijst om leveranciers te vergelijken. Het wilde een afweging kunnen uitleggen zonder telkens alle gesprekken te reconstrueren.

In deze bedachte casus gaf de lijst meer overzicht. Toch bleef onduidelijk waarom collega’s dezelfde leverancier verschillend beoordeelden. De teamleider zegt: “We hadden de scores, maar moesten de afweging nog steeds opnieuw uitleggen.” Dat beschrijft een tekortkoming, niet de bewezen oorzaak ervan.

Een fictieve kaartzin is: “Gebruikte een gedeelde leveranciersscorelijst die meer overzicht gaf, maar volgens betrokkenen onvoldoende vastlegde waarom beoordelingen uiteenliepen.”

Mogelijke vervolgvragen gaan over definities van criteria, het vastleggen van argumenten en de manier waarop de lijst werd gebruikt. Het is nog niet vastgesteld welke factor het probleem verklaart. Een nieuwe tool lost dat dus niet aantoonbaar op alleen doordat zij nieuw is.

Wat betekent eerdere ervaring voor een associatieve doelgroep?

Een associatieve doelgroep is een afgebakende groep mensen bij wie overeenkomstige associaties richting geven aan beslissingen binnen een specifieke keuzecontext.

Onderzoek welke betekenis deelnemers aan hun eerdere poging verbinden. In een fictieve situatie kan een nieuw dashboard worden verbonden met “weer extra onderhoud”. Bij een andere groep kan het juist “eindelijk één overzicht” oproepen. Het gebruik van dezelfde techniek betekent niet dat de ervaring of associatie gelijk is.

Leg apart vast wat is meegemaakt en wat iemand nu verwacht. Vraag ook waar de vergelijking ophoudt: welke omstandigheden zijn veranderd? Eén negatieve ervaring is geen bewijs voor een blijvende weerstand, een vaste associatieve doelgroep of een BIS/BAS-score.

Welke fouten moet je vermijden?

  • Niet gekozen gelijkstellen aan mislukt. Een offerte bekijken is geen methode uitproberen.
  • Alles als mislukking samenvatten. Bewaar wat wel werkte en waarom de aanpak toch onvoldoende was.
  • De verklaring van één persoon als oorzaak opschrijven. Maak bron en onzekerheid zichtbaar.
  • De methode of gebruiker meteen de schuld geven. Onderzoek ook ontwerp, uitvoering, doel en omstandigheden.
  • Merknamen als bewijs gebruiken. Een merk vermeldt niet automatisch welke werkwijze of versie is ervaren.
  • Een nieuw aanbod automatisch als oplossing presenteren. Een relevant verschil moet uitvoerbaar en onderbouwd zijn.
  • Iedere herinnering naar het segment doortrekken. Controleer verschillen tussen personen, rollen en gebruikssituaties.

Hoe vul je het veld in één compacte zin in?

Gebruik als werksjabloon: “Probeerde [aanpak] voor [doel], maar [ervaren of vastgestelde tekortkoming], volgens [bron of status wanneer nodig].” Voeg een oorzaak alleen toe als duidelijk blijft of zij verondersteld, toegeschreven of onderbouwd is.

Bewaar naast de kaartzin de periode, uitvoering, beoordelingsmaatstaf, positieve deelresultaten, verklaringen en relevantie voor de huidige keuze. Geef een poging een eigen record, zodat meerdere artikelen of kaarten dezelfde bron kunnen gebruiken zonder de betekenis te veranderen.

Zonder eerdere poging schrijf je “Geen eerdere poging gerapporteerd”. Bij onvoldoende informatie schrijf je “Nog niet onderzocht” of “Resultaat niet vast te stellen”. Zonder product kun je eerdere aanpakken van het relevante probleem onderzoeken; je hoeft geen producthistorie te verzinnen.

Maak eerdere ervaringen bruikbaar voor een volgende afweging

Dit veld beschrijft wat al is geprobeerd en waarin het resultaat tekortschiet. Door doel, uitvoering, uitkomst en verklaring te onderscheiden, ontstaat een concreet beeld van wat iemand meeneemt naar een volgende keuze. Of een nieuwe aanpak beter past, vraagt eigen onderbouwing.

Begrippen

Andere methoden die niet werkten
Het veld Andere methoden die niet werkten beschrijft in de doelgroepkaart welke eerdere aanpakken de doelgroep daadwerkelijk heeft geprobeerd en op welk relevant punt die volgens de beschikbare informatie onvoldoende aan het beoogde resultaat voldeden.

Veelgestelde vragen

Wat betekent andere methoden die niet werkten?

Het veld beschrijft eerdere aanpakken die de doelgroep daadwerkelijk heeft geprobeerd en die op een relevant punt onvoldoende aan het beoogde resultaat voldeden. Noteer de concrete tekortkoming en waarop die beoordeling berust.

Hoort een gedeeltelijk werkende aanpak ook in dit veld?

Ja, als je expliciet beschrijft wat wel werkte en wat onvoldoende bleef. Een gemengd resultaat moet herkenbaar blijven; vat het niet samen als een totale mislukking.

Is een gestopte aanpak bewezen onwerkzaam?

Nee. Stoppen kan samenhangen met belasting, planning, prioriteit of tegenvallende resultaten. Onderzoek wat daadwerkelijk is uitgevoerd en waarom men stopte. Soms is het effect niet betrouwbaar beoordeeld.

Hoe verschilt dit van kostbare alternatieven?

Dit veld gaat over eerdere daadwerkelijke pogingen en hun uitkomst. Kostbare alternatieven gaat over andere opties en hun kosten of inzet; die hoeven nog niet geprobeerd te zijn. Een optie kan in beide velden voorkomen met een andere functie.

Mag je de oorzaak uit een interview overnemen?

Ja, als verklaring van de geïnterviewde met die bronstatus erbij. Schrijf haar pas als vastgestelde oorzaak wanneer passende aanvullende onderbouwing beschikbaar is. Een overtuigende herinnering alleen bewijst het mechanisme niet.

Wat vul je in als de doelgroep nog niets heeft geprobeerd?

Noteer dat geen eerdere poging is gerapporteerd, of dat de geschiedenis nog niet is onderzocht. Houd die twee situaties uit elkaar. Vul geen fictieve ervaring in om de kaart compleet te maken.

Bronnen

  1. 1.Weiner, B. (1985). An Attributional Theory of Achievement Motivation and Emotion. Psychological Review, 92(4), 548–573. - Psychological Review (1985)
  2. 2.Carroll, C., Patterson, M., Wood, S., Booth, A., Rick, J. & Balain, S. (2007). A conceptual framework for implementation fidelity. Implementation Science, 2, 40. - Implementation Science (2007)

Verwante onderwerpen

Gecontroleerd door: Martijn den Otter · Laatst gecontroleerd: 23-9-2026

Martijn den Otter

Martijn den Otter

Oprichter van Neurofactor. Expert in neuromarketing en consumentenpsychologie.

LinkedIn →